Richtlijnen voor auteurs van het Leids Jaarboekje

Algemeen

  1. Artikelen worden digitaal als Wordbestand aangeleverd. Dit doet u per e-mail bij de redactiesecretaris (mw. L.J. Witkam-van der Hoek, Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.). Auteurs die niet beschikken over e-mail, nemen contact op met de redactiesecretaris (tel.nr. 071 5130113). U krijgt zo spoedig mogelijk een bevestiging van ontvangst.

  2. Op het voorblad van het artikel worden vermeld: auteursnaam, volledige adresgegevens (postadres, telefoonnummer, e-mailadres(sen), zowel privé- als werkgegevens), en titel van het artikel. De bladzijden worden genummerd.

  3. De omvang van de artikelen is minimaal 12.500 en maximaal 50.000 tekens, oftewel 2.000, resp. 8.000 woorden (ca. 20 bladzijden in het Leids Jaarboekje), inclusief noten en bijlagen. Slechts om zeer dringende redenen kan de redactie een iets grotere omvang toestaan. NB: grafieken en tabellen worden als illustraties gerekend.

  4. Illustratiemateriaal (kopieën van de afbeeldingen, zie ook punt 5) met bijbehorende onderschriften wordt tegelijk met het artikel naar de redactiesecretaris gestuurd. De afbeeldingen moeten vrij van rechten worden aangeleverd in JPEG- of TIF-bestand (300 dpi op afgebeelde grootte). Indien er kosten zijn gemoeid bij het verkrijgen van de illustraties (rechten etc.) wordt u verzocht vooraf contact op te nemen met de redactiesecretaris. Zonder zijn/haar akkoord draagt het Leids Jaarboekje geen verantwoordelijkheid voor de kosten. (N.B. met sommige instellingen zijn afspraken gemaakt over afzien van reproductierechten).

    Het aantal illustraties is afhankelijk van de lengte van het artikel, maar ook van de kwaliteit en de omvang van deze illustraties. De norm is dat er ongeveer een kwart van de omvang van de tekst als totale omvang van de afbeeldingen aan de tekst wordt toegevoegd. Bij een artikel van 20 bladzijden is dat dus 5 bladzijden aan illustraties (dat kunnen meer dan 5 illustraties zijn). Bij een artikel van 8 bladzijden gaat het om 2 bladzijden aan illustraties. Na publicatie wordt het illustratiemateriaal aan de auteur teruggestuurd.

    Grafieken en kaartjes, voorzien van een titel die duidelijk en zo eenvoudig mogelijk is, dient u in een apart bestand aan te leveren. In de tekst dient de auteur aan te geven waar deze moeten worden geplaatst [zoals: grafiek etc. hier]. Kaartjes dienen in TIF- of JPG-bestand aangeleverd te worden. Tabellen kunt u maken in de tabelfunctie van Word, bij voorkeur in de tekst op de plek waar ze behoren. Als dat niet mogelijk is, geeft u precies aan waar ze zijn bedoeld.

  5. De redactie beoordeelt de ingestuurde kopij. De auteur ontvangt zo spoedig mogelijk bericht of het artikel in aanmerking komt voor publicatie. Bij een positieve beoordeling wordt een contactpersoon uit de redactie aangewezen die de opmerkingen van de redactie met de auteur bespreekt. In het algemeen wordt een auteur verzocht om veranderingen in de tekst en/of illustraties aan te brengen, ook als het artikel positief is beoordeeld, variërend van kleine verbeteringen tot wat forsere ingrepen in inhoud en/of structuur. De illustraties die gebruikt zullen worden voor het artikel worden in een later stadium door de redactie opgevraagd.

  6. De auteur ontvangt 1 exemplaar van het Jaarboekje en daarbij 10 overdrukken van zijn artikel.

  7. Voor de spelling wordt uitgegaan van de nieuwste spelling. Gebruik de meest recente uitgave van de Woordenlijst der Nederlandse taal (het ‘groene boekje’; ook digitaal te raadplegen).

  8. Bovenaan het artikel komt behalve de titel van de bijdrage ook de auteursnaam (zonder titels). De auteur kan zelf kiezen uit voornaam of initialen. Dit komt identiek in de inhoudsopgave. Onderaan de eerste pagina van het artikel wordt een enkele zin over de auteur opgenomen, waarin desgewenst wel titulatuur wordt opgenomen.

  9. Het artikel dient bij voorkeur als volgt opgebouwd te zijn: korte inleiding waarin het onderwerp wordt geïntroduceerd, betoog, conclusie waarin de belangrijkste bevindingen worden samengevat. Het betoog is logisch ingedeeld in alinea’s en paragrafen met korte tussentitels. Bij beschrijvende artikelen spelen vraagstelling en conclusie minder een rol. De opbouw hiervan is dus minder stringent. Een korte inleiding, de beschrijving en eventueel een conclusie kunnen volstaan. In twijfelgevallen is overleg met de redactie aan te raden.

  10. Eindnoten worden gebruikt voor verwijzingen naar literatuur en/of bronnen (gebruik notenfunctie Word). Eindnoten die dienen om zaken in de tekst kort toe te lichten (uitleg begrippen, toelichting primaire bronnen, etc.) moeten beperkt worden gebruikt. De nootnummers worden in de tekst geplaatst na een leesteken.

  11. Bijlagen worden uitsluitend opgenomen als ze strikt noodzakelijk zijn voor het begrip van de tekst.

  12. Citaten in de lopende tekst worden geplaatst tussen enkele aanhalingstekens (dus niet cursief). Lange citaten worden geplaatst in blokjes tussen de tekst, omgeven door witregels. Buitenlandse en niet-alledaagse woorden, bijvoorbeeld middeleeuwse, worden cursief gezet.

  13. Specifieke uitdrukkingen worden tussen enkele aanhalingstekens geplaatst. Woorden in vreemde talen worden gecursiveerd en vertaald (vertaling tussen aanhalingstekens). Titels van boeken, brochures e.d. worden gecursiveerd, evenals namen van kranten.

  14. Afkortingen (zoals e.a., e.v., enz. of etc.) worden voluit geschreven, evenals percentages e.d. (dus niet: 40%, maar 40 procent; niet jaren ’50, maar jaren vijftig). Slechts bij namen en titulatuur worden afkortingen gebruikt (KLM, VPRO). Eeuwaanduidingen worden door een woord aangegeven, dus negentiende eeuw.

  15. Bij illustraties dienen de onderschriften de volgende gegevens te bevatten:
    a. omschrijving van de voorstelling,
    b. auteur/tekenaar/fotograaf etc.,
    c. datering,
    d. verblijfplaats: instelling en indien nodig plaats.

    Bij specifiek kunsthistorische illustraties, indien functioneel, bovendien:
    e. materiaal/techniek,
    f. afmetingen van het origineel in centimeters (hoogte x breedte),

    De auteur dient deze informatie aan te leveren, zodat de eindredacteur onderschriften kan formuleren.

Verwijzingen naar literatuur en bronnen

  1. Naar gedrukte literatuur dient op de wijze van de volgende voorbeelden te worden verwezen:

    Boek:
    P.J.E.M. van Dam, Vissen in Veenmeren. De sluisvisserij op aal tussen Haarlem en Amsterdam en de ecologische transformatie in Rijnlands 1440-1530 (Hilversum 1998) 18-20.

    Artikel in bundel:
    P.A. Henderikx, ‘De ontginningen en de zorg voor afwatering en dijken in het Hollands-Utrechtse veengebied (tiende tot dertiende eeuw)’ in: J.J.J.M. Beenakker e.a. (red.), Holland en het water in de middeleeuwen. Strijd tegen het water en beheersing en gebruik van het water (Hilversum 1997) 57-70, aldaar 60.

    Artikel in tijdschrift:
    W.Th. van der Veur en E. van Wijk, ‘De getijmolens van Middelburg’, Tijdschrift voor Waterstaatsgeschiedenis 8 (1999) 57-66.

    Bij een tweede of volgende verwijzing naar hetzelfde werk kunt u na de eerste keer volstaan met een verwijzing in verkorte vorm, bijvoorbeeld:
    Van Dam, Vissen in Veenmeren, 68.
    Henderikx, ‘Ontginningen’, 60.
    Van der Veur en Van Wijk, ‘Getijmolens’, 57-58.

  2. Naar archiefstukken dient als volgt te worden verwezen:
    a) Vermelding van archiefbewaarplaats (instelling + plaats): Nationaal Archief Den Haag, Erfgoed Leiden en omstreken, etc. Wanneer deze meerdere malen wordt vermeld dan wordt een afkorting gebruikt: NA Den Haag, ELO, etc.
    b) Aanduiding van archieffonds met inventarisnummer. Bij herhaling van archieffondsen worden afkortingen gebruikt, zoals: stadsarchief van Leiden 1575-1816 = SA II, of archieven van de gasthuizen = Ga.
    c) Omschrijving van het archiefstuk/de archiefstukken, d.w.z. het aangeven van soort (memorandum, brief, rapport, etc.) en, indien bekend, auteur van het stuk en de eventuele geadresseerde alsmede diens functies. Daarna de datum van het stuk. Wanneer men verwijst naar delen (bijvoorbeeld notulen), ook het pagina- of folionummer aangeven. Bij 19de-, 20ste- of 21ste-eeuwse stukken uit overheidsarchieven kan bovendien het exhibitumnummer worden aangegeven, indien dat nodig is om het betreffende stuk terug te vinden.

    Voorbeelden:
    A. Hoogheemraadschap van Rijnland (HvR), Oud Archief van het hoogheemraadschap van Rijnland (OAR), inv. nr. 1679, brief van dijkgraaf en hoogheemraden aan de Commissie van Beheer en Toezigt op de Droogmaking van het Haarlemmermeer, 9 febr. 1855.
    Tweede vermelding: HvR, OAR inv.nr. 1654, brief van dijkgraaf en hoogheemraden aan de Commissie van Beheer en Toezigt op de Droogmaking van het Haarlemmermeer, 13 dec. 1851.

    B. Erfgoed Leiden en omstreken (ELO), Stadsarchief van Leiden 1816-1929 (SA III), inv. nr. 537, ontwerpbegroting voor 1816.
    Tweede vermelding: ELO, SA III, inv.nr. 518, gemeentebegroting 1816.

    C. Erfgoed Leiden en omstreken (ELO), Persoonlijke archieven van de de firmanten en eigenaren van het bedrijf J.J. Krantz & Zoon te Leiden (1591) 1797-1970, inv.nr. 533, kladjournaal 1872.
    Tweede vermelding: ELO, Archieven Krantz, inv.nr. 534, kladjournaal 1915.

Richtlijnen d.d. 22-2-2016