Activiteiten

Wandeling en bezoek Thysiana - 28 september 2019

Het was wederom een zeer geslaagde boekenwandeling (met gelukkig droog weer) door het centrum van Leiden en daarna een bezoek aan de bibliotheek Thysiana. Hieronder enkele foto's. 

 

thysiana

 

thysiana2

 

thysiana3

 

Begin mei heeft het bestuur van de HVOL, na voorbereiding door de Commissie Niet-beschermd erfgoed, een brief aan het college van B&W van Leiden gestuurd met het voorstel een aantal bouwwerken en stedenbouwkundige situaties bescherming te bieden. Zuidwest is de voornaamste nieuwbouwwijk in Leiden uit de naoorlogse wederopbouwperiode. In de geschiedenis van de Leidse stadsontwikkeling neemt deze wijk een bijzondere plaats in, omdat de wijk is gebouwd op basis van de principes van de CIAM (Congrès Internationale d’Architecture Moderne), die onder meer worden gekenmerkt door het bieden van ‘lucht, licht en ruimte’.

Het 'jonge cultureel erfgoed' dat aan B&W wordt voorgedragen bestaat uit twee stedenbouwkundige situaties, twee complexen en twee kerken. De twee stedenbouwkukndige situaties betreffen zogenaamde stempels. Deze ‘stempels’ vormen de kleinste ruimtelijke eenheid waaruit een buurt is opgebouwd en geven uiting aan de diversiteit van de levensloop van de bewoners door deze samen te stellen uit woningen voor diverse huishoudens. De samenstelling van een stempel met diverse huishoudens komt tot uiting in de verschillende woonvormen en bouwhoogten in een stempel. Concreet gaat het om De Hoven in Haagwegkwartier Zuid en de buurt tussen Beethovenlaan en Bachstraat, doorsneden door Vivaldistraat, Corellistraat en Toscaninilaan. De twee complexen zijn de woningen aan de Van ’s-Gravensandestraat en omgeving en de drie woonblokken aan de Jacob van Campenlaan (de drie witte flats die je ook goed kunt zien vanaf de Voorschoterweg). De twee kerken waar het om gaat zijn de de voormalige gereformeerde Bevrijdingskerk (thans ‘Opstandingskerk’) aan de Aerent Bruunstraat en de rooms-katholieke kerk H. Antonius van Padua aan de Boshuizerlaan. Na de Tweede Wereldoorlog maakte de kerkenbouw een revolutionaire ontwikkeling door. Verandering van liturgie en diensten maakten een nieuwe indeling van de klassieke kerkruimten noodzakelijk. De kerk werd steeds meer een gemeenschapshuis, waar ook andere activiteiten plaatsvonden. De gebouwen werden ‘vierkante dozen’ met platte daken en losstaande of zelfs ontbrekende torens.

Voordat het college van B&W een oordeel velt, wordt advies gevraagd aan de betrokken adviescommissie en zullen ook de eigenaren van de complexen hun opvatting naar voren kunnen brengen. Weliswaar heeft de HVOL deze eigenaren zo goed mogelijk ingelicht, maar de voorstellen zijn uiteraard alleen voor rekening van de HVOL. Het kan hoe dan ook nog wel enige maanden duren voordat duidelijk wordt of B&W mee wil gaan met de door de HVOL gewenste bescherming van een paar belangrijke zaken in Leiden Zuidwest.

Gedepubliceerd

Terugblik: Gedempte en ongedempte grachten in Den Haag - 7 oktober 2017

DSC08044 verkleind

Foto: Kirsten Mieog

DSC08050 verkleind

Foto: Kirsten Mieog

 

Gedepubliceerd

HVOL-excursie naar Wassenaar met een bezoek aan het bunkercomplex Rijksdorp

Op 20 mei 2017 fietsen ongeveer 30 deelnemers in twee groepen vanuit diverse locaties in Leiden naar het oude centrum van Wassenaar. Rond 10 uur verzamelt men zich bij lunch- en dinercafé Broeders in de Langstraat (in 1900 opgeleverd als Herberg De Gouden Hoorn en sinds een aantal jaren eigendom van tweelingbroers). Robert Smit, voorzitter van de Commissie Excursies, introduceert onze gids, de gemoedelijke Robert van Lit, voorzitter van de Historische Vereniging Oud Wassenaer, die tijdens de koffie iets over het dorp vertelt.
Wassenaar ontstond op een strandwal parallel aan de kust. Hier verrees een burcht van de Heren van Wassenaer (ter hoogte van het Burchtplein) en in de 12e eeuw kwam er op een wat hoger punt een kerk gewijd aan de Engelse aartsbisschop en missionaris Willibrordus, die rond 700 met zijn twaalf metgezellen ter hoogte van Katwijk aan land was gegaan, in dit gebied dorpjes had bezocht en elke heidense ‘heilige eik’ die hij was tegengekomen had laten omhakken. In latere eeuwen worden rond Wassenaar veel buitenplaatsen aangelegd, zomerverblijven voor welgestelde stedelingen die willen ontsnappen aan de stank van de binnensteden. Rond 1800 telde het dorp volgens Van Lit ongeveer 1700 inwoners, nu ongeveer 16.000. “Dat heeft te maken met het gegeven dat na 1912 zijn deze gebieden verkaveld, wat zorgde voor een enorme instroom.”
We verlaten het café en wandelen door de Langstraat (vroeger de Zuidstraat), die zoals alle straten die uitkomen op Het Plein van middeleeuwse oorsprong is. Op nr 23 het nogal eclectische Oude Raadhuis, een ontwerp van Johannes Gerard van Parijs, met het grappige carillontorentje (waarin ooit een brandklok hing), een adelaar boven de deur en een prominent familiewapen van de familie van Wassenaar.

Wassenaar1

Rechts de Oude Grutterij (later slagerij, nu meubelzaak), waar in de 18e eeuw het volksvoedsel boekweit werd vermalen. Op nr 26 resideerde in de eerste helft van de 19e eeuw baljuw, maire en burgemeester Johannes van Bergen, wiens Leidse vrouw Louise een opvoedingshuis leidde en het fröbelonderwijs propageerde.

Het Plein is dus de oudste kern. In het midden staat een pompeuze pomp. De Lit vertelt van intrigerende opgravingen bij de woning van de koster: lijken uit ca 1700 vC., met pijlen in de borst en netjes volgens bepaalde rituelen begraven. Het drassige gebied waar Wassenaar ontstond werd al rond 1800 v. Chr. bewoond, maar de eerste bebouwing aan het dorpsplein dateert van ongeveer 600 A.D. In de Middeleeuwen stonden hier boerderijen en wat houten huizen, pas in de 16e eeuw werden het huizen van steen. We wandelen naar de (gesloten) Dorpskerk, gaan de begraafplaats op. De kerk is in etappes gebouwd. De oorspronkelijke houten kerk werd omstreeks 1100 vervangen door een Romaans bouwsel van tufsteen (Van Lit wijst op een in de kerk ingemetseld tufstenen muurtje) dat in de 15e eeuw werd uitgebreid. Een dramatisch moment deed zich voor op 26 juni 1573: omdat de Spanjaarden oprukten richting Leiden zochten de Leidenaren in de omgeving van hun stad naar stenen om hun stad te versterken, maar ze pasten ook de techniek van de verschroeide aarde toe: de Dorpskerk, de molen en veel omliggende huizen moesten er aan geloven. In 1594 was een deel van de kerk weer hersteld (de rest bleef ruïne). Maar inmiddels ook hervormd! Wie katholiek was gebleven moest zich behelpen met een schuilkerk. In de periode 1938-1940 werd het gebouw weer geheel in de oorspronkelijks staat gerestaureerd.

Wassenaar2

We lopen over de lommerrijke begraafplaats en belanden bij een foeilelijk appartementencomplex. Op deze plek werd in 1895 het classicistische landhuis Huize Nieuw Rijksdorp neergezet, in opdracht van Graaf van Limburg van Stirum. In 1898 kwam de villa middels een legaat in beheer bij de gemeente Wassenaar en in 1934 werd het een particuliere geneeskundige kliniek, nota bene geleid door een NSB’er. In de oorlog werd het een hotel-restaurant, daarna een bejaardenhuis, een pension voor gerepatrieerden uit Nederlands-Indië en in 1960 een ‘rust- en verpleeghuis’. Uiteindelijk werd het voor twee miljoen gulden aan de gemeente verkocht, om te worden gesloopt en plaats te maken voor het appartementencomplex. Een monumentje op de trap bevat nog elementen van de oorspronkelijke villa.
We lopen door de Schoolstraat, waar ons wordt gewezen op de Oude Pastorie. Het gebouw is in feite ontstaan uit een vleugel van een sinds lang verdwenen Middeleeuws complex dat successievelijk eigendom van de adellijke families Van Raephorst, Van Cralingen en Van Assendelft en dat kort voor het Beleg van Leiden door Leidenaren werd verwoest. Uit de puinhopen verrees onder supervisie van de Haagse advocaat Hendrick Meyster een imposant pand, met een grote traptoren en 18 rookkanalen! Diens zoon Gijsbert verkoopt het huis in 1612 aan de kerkmeesters van de Hervormde Gemeente. In de eeuwen daarna is er veel aan het pand veranderd. Het werd aangepast aan de Franse stijl en in 1856 werd er zelfs een hele verdieping opgezet. In 1982 werd het gebouw na een uitvoerige restauratie overgedragen aan nieuwe bewoners.

We lopen langs brasserie ’t Regthuys - zoals de naam aangeeft werd hier ooit recht gesproken - en blijven stilstaan bij het Baljuwhuis (Plein 1). Dit werd in de 18e eeuw op de plaats van een oude herberg opgetrokken, in opdracht van rentmeester (baljuw) Joan van Gybelant. een bakkerszoon uit Den Haag die getrouwd was met de vermogende Ellegonda Linthorst. Het was oorsponkelijk bedoeld als raadhuis, maar werd aldus Van Lit in feite gebruikt als woonhuis. Het kinderloze echtpaar Gybelant vermaakte het aan Gybelants’ heer Johan Hendrik van Wassenaar Obdam. Van Lit wijst ons op het opvallende familiewapen op het dak, met daaromheen een guirlande met daaraan het ridderkruis (volgens van Lit van de voor de protestantse adel opgerichte Nederlandse tak van de Johanniter Orde). Via de Van Wassenaars kwam het huis in bezit van de Stichting Twickel in Overijsel en in 1895 werd het uitgebreid met een aanbouw. Er hoort ook een koetshuis bij, als zodanig nog immer in gebruik. Maar vooral imposant is de langgerekte tuin achter het huis: de in 1730 gebouwde westelijke muur is 67 meter lang! Een gedeelte van de tuin werd in 1954 aangelegd door de bekende tuinarchitecte Mien Ruys. Het ziet er allemaal erg landelijk uit. Er scharrelen prachtige parelhoenders rond. Hier, met uitzicht op de spits van de dorpskerk, heb je echt het gevoel dat de tijd heeft stilgestaan. Dat we deze bijzondere tuin mogen bezichtigen is een buitenkansje!

We fietsen naar het imposante Huize De Paauw. Op deze plek liet Cornelis van der Dussen halverwege de 16e eeuw een buitenhuis bouwen (“Te Pau”), met daarbij 9 ha landgoed, later uitgebreid tot 50 ha. Daarna kreeg het huis verschillende eigenaren en in 1774 kwam het in bezit van Adriaan Pieter Twent van Raaphorst, die ook andere landgoederen in de omgeving beheerde (waaronder de Horsten) en onder koning Lodewijk Napoleon was opgeklommen tot directeur Waterstaat . Twent zorgde voor de aanleg van de straatweg die Wassenaar verbond met Den Haag. Het oude Te Pau vormde hij om tot een ‘modern’ classicistisch landhuis. Van Lit: “Twent gedroeg zich als een echte herenboer, hield koeien en fokte Spaanse schapen. Ook was hij begaan met landschapsontwikkeling, schreef over grondverbetering, veeziekten en duinbeplanting.”

Wassenaar3

Na hem kwam het in bezit van Prins Frederik, tweede zoon van koning Willem I. Deze gaf landschapsarchitect Edward Petzold opdracht om de tuinen van de Paauw te laten harmoniëren met het aangrenzende landgoed De Horsten en er kwam een op de klassieke Oudheid geïnspireerde tuin met beelden, tempeltjes en pergola’s: de Prinsessetuin. In 1881 erfde Frederik’s dochter prinses Marie het complex en in 1924 kwam het gebouw en een deel van de gronden in bezit van de gemeente Wassenaar. Halverwege 1925 werd het in gebruik genomen als raadhuis. In 1950 kocht de gemeente ook de Prinsessetuin, maar de restauratie ervan verloopt traag – de meeste beelden staan volgens Van Lit nog altijd in de kelder, het tempeltje is aan het oog onttrokken door doeken. Ook is men ooit begonnen aan de restauratie van het huis (aan de achterkant zien we een deel beschilderd met oker en verguldsel), maar dat bleek allemaal veel te duur te worden.

Wassenaar4

Dicht bij het huis, in de enorme vijver van het landgoed, staat een opvallend beeld van een badende Hendrikje Stoffels, naar een schilderij van Rembrandt.

Wassenaar5

Op Paauwlaan 6 alweer een fraaie buitenplaats, begin vorige eeuw gebouwd in opdracht van Daniël Ruys, grondlegger van de Rotterdams Lloyd en NedLloyd en gehuwd met een Belgische barones. Hollands-classicisme, met veel rode bakstenen. Een welfbrug met groen uitgeslagen toegangshek geeft toegang tot de omringende tuin, waar de Braziliaanse vlag wappert: Villa Ruys doet tegenwoordig dienst als ambassadeurswoning.

Wassenaar6

Van Lit leidt ons naar de oude moestuin van de familie Ruys. In 1955 werd dit de gemeentelijke kwekerij (in 2010 opgeheven). We lopen dwars door het ketelhuisje dat ooit de kassen warm hield (en sinds 2011 wordt verhuurd aan de Stichting Historisch centrum Wassenaar) en komen weer uit in het park achter De Paauw en nemen afscheid van Van Lit.

Na een voortreffelijk lunch op het terras van Broeders gaat het per fiets richting Rijksdorp, waar gidsen – de mijne wordt een zekere Ruud Ruis.
Het bunkercomplex Rijksdorp, tijdens WOII regimentshoofdkwartier en onderdeel van de 6200 km lange Atlantikwall, ligt goed verborgen middenin de villawijk. Het werd vanaf 1942 in nog geen twee jaar gebouwd, op basis van gestandaardiseerde bunkerontwerpen (Regelbauten): tot in de kleinste details was alles al uitgedacht. De kern wordt gevormd door een commandopost, een munitiebergplaats en een veldhospitaal met muren van minstens twee meter beton. Kleinere bunkers waren opslagplaatsen, enkele voor levensmiddelen en maar liefst elf voor water (Hitler had tijdens WOI dorst geleden!); verder een keuken, een badbunker en twee toiletbunkers. Na de oorlog bleken de bunkers een ideale woonplaats te zijn voor vleermuizen. Eind 1951 ging het complex fungeren als communicatiecentrum van de Luchtmacht en werd een deel van de bunkers opgeknapt en opnieuw ingericht.

Wassenaar7

   Lopend over het totaal overwoekerde terrein Ruis wijst ons zogeheten Tobruk’s: bunkertjes waarop een mitrailleur werd geplaatst – ze werden voor het eerst in gebruik genomen door de Italianen in het Libische Tobruk. De hospitaalbunker had plek voor 32 patiënten, een dokter en twee verpleegsters – het had een eigen aggregaat voor permanente verlichting. De bunker werd na de oorlog speciaal aangepast door prins Bernhard, tussen 1946 en 1976 inspecteur-generaal van de Koninklijke Strijdmacht. De prins kwam zeer regelmatig langs om alles te goed te controleren, meestal gezelschap van een dame.

Wassenaar8

Vooral de commadobunker is intrigerend: hier is nog het restant van de kluis te zien waarin volgens onze gids de NAVO-codes werden bewaard. Gedurende Koude Oorlog hield men contact via telex en gecodeerde telefoonlijnen – hier kwamen duizenden berichten per dag binnen. We betreden ook nog de naargeestige generatorbunker waar op giftige diesel machines stonden te draaien die het hele complex van elektriciteit moesten voorzien. Bij het verlaten van dit gruwelijke oord lopen we langs de oude, door een ketting afgesloten ingang tot het park. Het hekwerk is zo volledig door roest aangetast dat het een bizar soort kunstwerk lijkt.

Wassenaar9

We sluiten de zeer geslaagde excursie af met een glas bij uitspanning De Klip aan het begin van de Wassenaarse Slag.

   Tekst: Jan Hein van Dierendonck
   Foto’s: Joke van Dierendonck

act dve
act gevel
act jvh
act beeld
act hkstad
act nberf
act excursie
act lezing
act monkunst

INHOUD

7 Voorwoord

9 Jaarverslag 2012

15 In memoriam mr. C.J.D. (Cees) Waal

19 De Dirk van Eck-Stichting (1987-2012).
Een kwarteeuw geschiedenis in beeld
Familiealbum Dirk van Eck

27 PETER OTGAAR
‘Wie niet werkt...’ Het Stedelijk Werkhuis of Spinschool
te Leiden (1796-1809) ter wering van bedelarij

59 Een kwart eeuw geschiedenis in beeld
Eerste lustrum (1987-1992)

67 SJAAK VAN DER VELDEN
Kinderopvang bij De Heyder in 1885

89 Een kwart eeuw geschiedenis in beeld
Tweede lustrum (1993-1997)

93 MARIAN WEEVERS
‘…waardoor haar verblijf in de werkinrichting tot een werkelijke
zegen zou kunnen zijn.’ Leidse vrouwen en de Rijkswerkinrichting
voor Vrouwen te Oegstgeest-Leiden, 1886-1920

131 Een kwart eeuw geschiedenis in beeld
Derde lustrum (1998-2002)

135 AGNES VAN STEEN
‘De gehuwde vrouw moet maatschappelijk voelen’.
De Tentoonstelling ‘De vrouw 1813-1913’ en
het maatschappelijk werk van Leidse vrouwen

185 Een kwart eeuw geschiedenis in beeld
Vierde lustrum (2003-2007)

195 BUCK GOUDRIAAN
De aanslag op de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau,
Leiden 3 januari 1944. Wie was de dader?

207 Een kwart eeuw geschiedenis in beeld
Vijfde lustrum (2008-2012)

217 PIET DE BAAR
Leiden en zijn Italianen

223 LUIGI O. BELFI, alias ‘Pino’
Herinneringen aan een Italiaanse ‘ijs’familie in Leiden.
‘La Torino’ van Giacomo Belfi en zijn familie

261 Over de auteurs

263 Boekbesprekingen


 

Vijfentwintigste JaarboekVijfentwintigste Jaarboekder sociale en economische geschiedenisvan Leiden en omstreken 2013

Pagina 1 t/m 14


 

In memoriam mr. C.J.D. (Cees) WaalIn memoriam mr. C.J.D. (Cees) Waal

SOEST 15 SEPTEMBER 1943 – LEIDEN 11 JULI 2011

Pagina 15 t/m 17


 

19 De Dirk van Eck-Stichting (1987-2012)De Dirk van Eck-Stichting (1987-2012)

EEN KWART EEUW GESCHIEDENIS IN BEELD

Pagina 18 t/m 26

Dirk van Eck, sociale en economische geschiedenis

Wittevlekkenlijst (versie 25 maart 2014)

Piet de Baar en Cor Smit

 

Inleiding

De onderstaande lijst van zogeheten 'witte vlekken' (historische onderwerpen waar nog niet of nauwelijks over gepubliceerd is) gaat uitsluitend over de sociale en economische geschiedenis. In de totale geschiedschrijving van Leiden en omstreken zijn nog tal van andere witte vlekken of lacunes te signaleren, maar dat is niet het werkgebied van de commissie Dirk van Eck, die zich alleen met de sociale en economische geschiedenis - overigens wel in de ruimste zin des woords - bezig houdt. Ook geeft de lijst geen volledig afgeronde onderzoeksonderwerpen. Vaak volgen er namen van auteurs of titels van publicaties die alleen ingewijden iets zeggen en worden er zaken slechts aangestipt of weinig gedetailleerd behandeld. Het opstellen van een alomvattend onderzoeksvoorstel kost buitengewoon veel moeite en tijd, en blijkt in de praktijk vaak nog niet uitputtend of toegeneden genoeg.

Bovendien kan een (groot) onderwerp in diverse stukken geknipt worden, die door meerdere onderzoekers en auteurs behandeld kunnen worden. De onderlinge taakverdeling kan dan in het voorstel onvoldoende voorzien zijn, zodat een flinke aanpassing nodig wordt. Wanneer iemand belang stelt in een van de hieronder genoemde onderwerpen, of een deel daarvan, is het verstandiger om contact te zoeken met de auteurs. Dan kunnen zaken ook veel diepgaander toegelicht worden, nog extra (archief)bronnen, literatuur, namen van eerdere onderzoekers en tips en trucs meegedeeld worden en suggesties gedaan voor een tijdspad om tot een afgerond en publicabel artikel of boek te komen.

Deze lijst is pas online gezet na uitvoerige dicusiie in de commissie, met nogmaals dank aan alle deelnemers voor hun inbreng. Toch zijn er nog wel andere onderwerpen in de sociaal-economische sfeer te bedenken. Wanneer er meerdere onderwerpen van de lijst zijn afgevoerd omdat er publicaties over verschenen zijn, zal deze weer aangevuld worden, al zullen die aanvullingen mogelijk wat gecompliceerder onderzoek vereisen. Het is dus zinvol om zo van tijd tot tijd eens naar deze lijst te kijken, zeker omdat het voornemen bestaat om bij onderwerpen waar iemand zich voor opgeworpen heeft, diens naam te vermelden. Mocht evenwel een onderwerp opvallend ontbreken, dan houden we ons graag voor melding daarvan aanbevolen. Mogelijk is dat onderwerp ooit genoemd, maar was de gedachte dat er toch al wel iets over gepubliceerd was - zij het mogelijk niet op sublieme wijze - de reden om het dan toch maar niet op de lijst op te voeren, terwijl toegegeven moet worden dat er best nog aspecten onbehandeld zijn en het geheel herziening zeker kan gebruiken. De volgorde van de onderstaande punten is willekeurig.

1. De gilden

Over de gilden in Leiden is nog maar weinig gepubliceerd, en al helemaal geen samenvattend overzicht. Een paar gilden zijn wat beter belicht, met name die in de textiel door Posthumus (maar ook weer niet uitputtend), de edelsmeden (door Willemijn Fock, hoewel haar alomvattende studie over de Leidse edelsmeden nog moet verschijnen), de boekhandelaren (door Paul Hoftijzer), de tabakspijpmakers (door met name Hans van der Meulen) en de kunstschilders (door diverse auteurs en daardoor nogal hapsnap). Elders, hier worden slechts Den Bosch (tot 1629), Gouda en Vlissingen genoemd, heeft men prachtige studies over de plaatselijke gilden gepubliceerd, waar Leiden alleen maar jaloers op kan zijn. En dat terwijl in Leiden het materiaal in één woord gigantisch is (zowel in de Dienstboeken, SA II inv.nrs. 923-969, als in het Stadsarchief II 2242-2338, als in de Archieven van de Gilden), al is er natuurlijk over het ene gilde meer dan over het andere. Maar alleen al een goed overzicht van alle gilden (voorheen broederschappen) die er ooit geweest zijn (en van wanneer tot wanneer) is er niet eens (de door Madelon van Luijk en Laurens/Lucassen gegeven lijsten verdienen een kritische blik).

De positie van de gilden in de middeleeuwen blijft natuurlijk een interessant onderzoeksterrein, zowel voor die in de textiel als in andere bedrijfstakken. Zo ook de plek van diverse gilden als sociaaleconomische machtsfactor tussen grote ondernemers/fabrikeurs, kleinere ondernemers en ambachtslieden c.q. arbeiders in de 17de en 18de eeuw. Interessant is ook de doorwerking in enkele 19de-eeuwse beurzen en onderlinge fondsen; zoiets kan ook als apart onderzoeksgebied fungeren. Zo zijn er voortzettingen voor de korendragers, de kraankinderen (= waag- en kraanwerkers), nodigers ter begrafenis (bidders, aansprekers, tot 1875), schippers (Fonds tot onderhoud van de veerschuiten, 1849-1869), turfdragers, -meters, -tonders en wijnwerkers. Voor schoolmeesters (de fondsen Huguetan en Riemersma) en timmerlieden/metselaars (het St. Jozefsgilde) bestonden er tot in de 20ste eeuw speciale voorzieningen. Het doorwerken van de gildegedachte in de 20ste eeuw (bij de katholieken, maar ook wel in sociaaldemocratische hoek) zou eveneens een interessant onderwerp zijn.

2. De hallen

Hoewel het lijkt alsof werkelijk alles al door Posthumus behandeld is, blijkt er toch nog materiaal te zijn dat hij (vermoedelijk) nooit gezien heeft. Zo is o.a. de voor hem te late Halle van de Inlandsche Manufacturen van 1823 tot 1866 (1873) en het voortbestaan van een aparte Greinhal de (eventueel afzonderlijke) aandacht waard. En misschien is wel een euvel van zijn magistrale werk(en): het is wel heel erg gedetailleerd en uitgebreid. Een handige 'samenvatting' zou niet misplaatst zijn, met daardoorheen gevlochten de latere aanvullingen van met name Els Kloek en Elise van Nederveen Meerkerk. Binnen de Hallen zou tevens meer aandacht gericht moeten worden op het aspect van het reguleren van arbeidsverhoudingen, wat naast kwaliteitscontrole een van de hoofdtaken van de Hallen was.

3. Leidse kaas (en zuivel in het algemeen)

Er is niet heel veel schriftelijke kennis over de productie (in de omstreken, en het Kaasmerk), het wegen (in de Waag), de Kaasmarkt, de winkels (met name gespecialiseerde zuivelwinkels en melksalons) enz. Natuurlijk is er wel eens een kleine studie verschenen over facetten, zoals het Kaasmerk, kaasbrikken (voor het vervoer) en is er wel wat over de Waag, maar een goede uitputtende publicatie wordt nog gemist. Een recente studie als over de Zoeterwoudse zelfkazers (2013) is leuk en leesbaar, maar vult deze leemte niet. Daarnaast is het opvallend hoeveel zuivelfabrieken er tussen ca. 1880 en 1950 in Leiden waren. Over deze branche is echter nauwelijks iets bekend (zie ook 9).

4. De bouwvakken

Over de mensen achter al de fraaie Leidse gebouwen is nog maar weinig gepubliceerd, en dan met name over de architecten en aannemers. Hoe het ging met de opleiding tot timmerman, metselaar, etc., hun lonen, hun carrière, hun beroepsziekten, hun winterwerk: behalve wat landelijke literatuur is er niets. Al zijn er uit particuliere hoek (helaas) niet veel bronnen, uit de sfeer van de overheid (stad en afhankelijke instellingen) is er haast meer dan genoeg.

Wat de 18de eeuw betreft heeft Geert Medema in zijn Achter de facade van de Hollandse stad in een breder kader er al aan 'geroken'. Ook architectuurhistorici en bouwhistorici als Jan Dröge zullen nog steeds wel onderdelen gaan bestuderen en publiceren, maar het totale terrein ligt nog behoorlijk braak. Het gaat zowel om de economische betekenis van de bouwvakken voor de stad als ook om de beroepsopleidingen: de bouwbazen speelden een belangrijke rol in de ontwikkeling van het ambachtsonderwijs in de stad.

5. Het marktwezen

D.R. Kooiman en het boek Wie maakt me los hebben al wel in grote lijnen een en ander geschetst, maar dat zijn als het ware beginnetjes, waar nog eindeloos veel aan toe te voegen is. Voor de veemarkt (Leverland en Van Maanen; Smit over de veemarkt in de Groenoordhallen) en de groenteveiling (Endhoven, Moes e.a.) bestaan behoorlijke aanzetten, maar er moet veel meer te zeggen zijn over de ontwikkeling en de betekenis ervan.

Aangezien Leiden vanaf de alleroudste tijden tot heden een marktplaats is geweest, kan een en ander veel gedetailleerder besproken worden. Enerzijds is er de functie van de markten als voorziening voor de bewoners, anderzijds hadden de markten een belangrijke betekenis als handelsmarkt. Daarbij is ook de relatie tussen stad en platteland aan de orde. Niet alleen is de vraag wat de betekenis van de markten was voor de stad en de stedelijke economie, maar ook wat het betekende voor de boeren, tuinders en vissers uit de regio. Wat de betekenis voor de stad betreft, is evenzeer van belang wat de markten betekenden voor andere sectoren, in de eerste plaats vervoer en diensten (horeca, winkels).

6. De groente- en fruitteelt in en rond Leiden

Vooral de (voortgezette) studies van Hans Endhoven hebben meer aan het licht gebracht dan in zijn artikel in het boekje De tuin van Holland gepubliceerd is, maar hij is de eerste om toe te geven dat er nóg veel meer is. Hij behandelde de periode tot 1800 en dat is wel de relatief belangrijkste tijd, maar de latere opgang en neergang van vooral de groenteteelt is ook nog niet uitputtend behandeld. Tot de jaren 70 waren er zelfs op de Waard nog diverse groentekwekers te vinden.

Ook hier is de relatie tussen stad en plattenland aan de orde, net als het onderscheid tussen gebruikers- en handelsmarkten. Aansluitend moet ook gedacht worden aan de bloementeelt rond en zelfs in de stad: een fenomeen dat in de 17de eeuw opdook en zich vooral manifesteerde vanaf de tweede helft van de 19de eeuw tot ver in de 20ste (de laatste bloemenkwekers verdwenen pas tond 1980 uit Vreewijk en de Zeeheldenbuurt).

7. Gast- en ziekenhuizen

Het gaat hierbij niet zozeer om de gebouwen (al moet ook dat niet veronachtzaamd worden; dankzij de studies van Ladan voor de middeleeuwen en de opgraving aan de Aalmarkt is daarover al wel veel bekend) en de medische behandeling (bestudeerd door Ladan en in het kader van Boerhaave c.s.), maar vooral over de verpleging en verzorging. Wie werden er opgenomen (daar zijn uitputtende lijsten van), hoe was dat financieel geregeld, wie waren de personeelsleden (de moeders en vaders, chirurgijns, pleegzusters, diaconessen, nonnen en natuurlijk burgerpersoneel), sterftecijfers enz.

Het gaat ook om het ontstaan van de verzuilde ziekenzorg eind 19de eeuw en om de ziekenfondsen, al is daar relatief al vrij veel over gepubliceerd. Niet veronachtzaamd moet overigens worden dat de oudste gasthuizen in eerste instantie niet zo zeer ziekenhuizen waren, maar een bredere sociale opvang verzorgden. Dat geldt met name voor het Catharinagasthuis. Bijzondere aandacht zou ook uit kunnen gaan naar de omgang met en opvang van psychiatrische patiënten.

8. Maatschappelijk werk

Er is veel materiaal in het archief over hoe de maatschappij in de loop van de geschiedenis is omgegaan met zwakkeren, onaangepasten e.d., zoals Peter Pot, Jaap Moes en Peter Otgaar aangetoond hebben. De ontwikkeling van de maatschappelijke reactie op deze groepen, b.v. in de vorm van maatregelen om bedelen te bestrijden, van werkhuizen, een commissie Weldadigheid, het overbrengen van Leidenaars naar de veenkoloniën e.d. zou interessant zijn.

Over Leidenaars in de veenkoloniën en strafkolonies is al wel een en ander gepubliceerd, maar niet in samenhang. De nadruk ligt hier vaak op de 19de eeuw, maar de middeleeuwen en vroegmoderne tijd zijn hier minstens zo interessant, net als de ontwikkelingen in de 20ste eeuw (inclusief opvang daklozen etc.). Binnen dit onderwerp valt ook de inzet van maatschappelijk werkers en sociale wetenschappers bij de stadssanering na WOII (Milikowski), de opkomst en ondergang van het club- en buurthuiswerk etc.

9. Bedrijven en bedrijfstakken

Van tal van fabrieken, werkplaatsen, winkels en andersoortige bedrijven is een complete bedrijfsgeschiedenis te schrijven, zeker nu via het archief van de Kamer van Koophandel en de kranten veel meer beschikbaar is gekomen. Dit is ongeacht de branche. Van enkele bedrijven is er al wel een grote studie verschenen en van sommige is uitzonderlijk zeer veel archiefmateriaal bewaard gebleven (Sijthoff, de Meelfabriek, de Zoutkeet, verffabriek Herfst en Helder), maar van veel bedrijven is een overzichtelijke studie heel wel doenlijk. En van complete bedrijfstakken: blekerijen, metaal, sigaren, frisdrank, biscuit, zeep enz.

De aandacht ligt wat te eenzijdig op de textiel, met recentelijk wat aandacht voor de grafische nijverheid. De metaal (na WOII de grootste industrie in Leiden) en de omvangrijke en diverse voedings- en genotsmiddelenindustrie zijn echter slechts fragmentarisch beschreven. Ook is aandacht gewenst voor de de-industrialisatie van Leiden. Er is vooral geconstateerd dat daar sprake van was. Van een goede beschrijving en van een analyse is echter geen sprake. Overigens: ook het Biosciencepark is intussen een geschiedschrijving waard.

10. Zakelijke dienstverlening (bank- en verzekeringswezen)

Een interessant onderwerp is de rol en betekenis van de zakelijke dienstverlening, i.c. het bank- en verzekeringswezen. Het artikel van M.M.G. Fase en J. Mooij 'De Nederlandsche Bank in Leiden 1865-1969. Een antwoord op het wisselend economisch tij', Leids Jaarboekje 93 (2001), 89-118, is een eerste begin, maar er zijn nog enorme archieven van de kassiersfirma Lezwijn en Eigeman, de Leidsche Spaarbank, de Bank van Leening en kleinere bedrijven (Reimeringer, de Rijnlandsche Bankvereeniging) die nog nimmer doel van diepgaand onderzoek zijn geweest.

De vraag is überhaupt waar het begin ervan te vinden is, hoe het een en ander zich ontwikkeld heeft en wat de betekenis ervan voor nijverheid en handel was. Opmerkelijk is de vroege aanwezigheid van Lombarden in de stad (vóór 1300), de verwijzingen naar de rol van kassiers/bankiers vóór 1850, de vroege vorming van nv's in Leiden etc. En hoe belangrijk waren nu eigenlijk al die commissionairs in verzekeringen in de 19de eeuw, en voor wie?

11. Het vervoerswezen in en rond Leiden

De ontwikkeling van vervoer over weg, rails en water is een belangrijke voorwaarde geweest voor de sociale en economische ontwikkeling van de stad. Onderzoek naar de postkoets, trekschuit (passagiers en vracht) e.d. is (in tegenstelling tot bussen, trams en treinen) nog weinig verricht. Mooie onderwerpen daarbij zijn de scheepvaartmaatschappij De Volharding - maar dat is slechts een van de vele stoombootmaatschappijen die Leiden bedienden - en Van Gendt & Loos. Het gaat hier om de ontwikkelingen zelf (en het waarom ervan), de betekenis ervan voor de stedelijke ecenomie, maar eveneens om de regionale dimensie.

12. Vakbeweging en strijd in de bedrijven

De 'socialen' en hun opvolgers hebben zoveel sporen nagelaten dat daar haast eeuwigdurend over geschreven zal kunnen worden. Dick Wortel en Jaak Slangen hebben op dat gebied enige gedachten ontwikkeld. Ook al bevindt een deel van het materiaal zich in Amsterdam (IISG enz.), er lijkt haast een overvloed aan te bestaan. Ook de liberale (ANWV), christelijke (Patrimonium, CNV) en katholieke (KAB) vakbeweging verdienen de aandacht, zeker waar in Leiden door Piet Aalberse het organisatiemodel van de RK vakbeweging is uitgevonden en verspreid via de Katholieke Sociale Actie, die in zijn woonhuis aan de Oude Singel haar hoofdkwartier had. De rol van de afzonderlijke bonden moet daarbij ook aan de orde komen.

Tot op heden heeft de geschiedschrijving zich beperkt tot de vroegste geschiedenis, met artikelen over stakingen bij De Heijder en b.v. de timmerliedenstaking. Er is wat dat betreft meer, ook na de oorlog (direct na WOII, jaren 60, jaren 80). De inventarisaties van Zonneveld en Van der Velden geven een mooi handvat voor onderzoek naar arbeidersstrijd in de bedrijven en de rol die de vakbeweging daarin speelde.

13. Vorming van de jeugd/jeugdbewegingen

In de loop der tijd, in ieder geval vanaf de 19de eeuw, zijn er tal van organisaties geweest die tot doel hadden de jeugd (buiten de school) op te voeden of te vormen, vaak in de context van een levensbeschouwelijke visie.

* Patronaten: in de katholieke wereld speelde de patronaten een belangrijke rol in de jeugdbeweging. Inmiddels zijn er enkele archieven in publieke bewaarplaatsen gekomen en ontsloten door inventarissen, zodat aan de voorwaarden voor goed onderzoek is voldaan.

* Jongelingsverenigingen: in de protestantse wereld is er een legioen aan knapen-, meisjes-, jongelingen- en handwerkclubs en -verenigingen geweest, waarvan zoveel archiefmateriaal beschikbaar is dat er een goede studie zoals die van Gert-Jan van Rijn over 'Prediker' geschreven kan worden. Voor een deel heeft het club- en buurthuiswerk zich overigens na WOII uit dit soort organisaties ontwikkeld. Deze gedeeltelijke overgang is een studie-object op zich.

* Jeugdorganisaties vanuit linkse politieke beweging, zoals De Zaaijer, de AJC. Ook dat verdient onderzoek. De insteek voor dit onderzoek zou tweeledig moeten zijn: wat was de betekenis voor de zuil en/of de samenleving vanuit verzuilde optiek; en wat betekenden deze clubs voor de jeugd zelf?

14. Feesten

Ook dit thema is in de literatuur nooit echt uitputtend behandeld; een boek als Leiden eeuwig feest laat heel veel onbesproken en is ook meer toegesneden op de jaarlijkse happening van 3 oktober.

15. Het muziekleven

Er bestaan veel verbindingen tussen het oprichten en instandhouden van muziekverenigingen en andere activiteiten in de stad. Zo zijn b.v. harmonie-orkesten voortgekomen uit sociale bewegingen, denk aan Werkmans Wilskracht. Verschillende bedrijven hadden hun eigen muziekvereniging: werd dat bevorderd door de directie en waarom? Het is interessant om die verbindingen in organisaties en in personen zichtbaar te maken.

Muziek, en vooral zang, werd in de 19de eeuw een opvoedende functie toegemeten, wat terug te zien is in diverse koren. Een sociale analyse van het Leidse muziekleven, met nadruk op muziek in de midden- en arbeidersklasse, is een interessant onderzoeksgebied. Ook: wat voor rol speelde muziek in het leven van de gewone Leidenaars?

16. De relatie tussen de studenten en de rest van de stad

De houding van studenten tegenover wat er in de stad en elders gebeurde, is in de loop van de tijd nogal wisselend geweest. Interessant daarbij zijn o.a. de periode van het verzet tijdens WOII en van de dekolonisatie van Indonesië, ook door de positie van Indonesische studenten daarin (daarvan zijn alleen flarden bekend).

17. Prostitutie

Prostitutie is wat betreft de 19de eeuw goed beschreven. Het zou de moeite waard zijn om ook de ontwikkelingen die voordien (Groenhazengracht, badstoven in de middeleeuwen) en daarna hebben plaatsgevonden, in beeld te brengen. Het is zinvol dit onderwerp niet alleen geïsoleerd te beschouwen, maar juist in relatie tot zedelijkheid (in engere zin).

18. De verzuiling

Het fenomeen van de verzuiling komt aan de orde als aspect bij vele studies, en ook op sociaal en zelfs economisch gebied, al is dat niet echt onderwerp van diepgaand onderzoek geweest. Het verdient aanbeveling de verzuiling in Leiden niet te beperken tot het sociaaleconomische, maar die in zijn geheel te bekijken om de samenhang met alle andere aspecten in beeld te brengen.

19. De gemeenteraad in het interbellum

De gemeenteraad tussen de twee wereldoorlogen is te zien als een podium voor alle krachten die toen in de stad werkzaam waren. Juist in die tijd waren er geweldige ontwikkelingen op zowel sociaal als economisch gebied, waarbij de gemeenteraad urenlange discussies over deze onderwerpen beslist niet schuwde. Bestudering van deze periode zou een mooie spiegel van die tijd opleveren.

20. De relatie stad en platteland

De relatie tussen stad en platteland komen bij een aantal onderwerpen aan de orde (zie o.a. 3, 5 en 6). Het zou goed zijn de relaties op sociaal-economisch gebied eens diepgaander te bestuderen. Daarbij valt - behalve aan de aspecten die al in 3, 5, en 11 aan de orde kwamen - te denken aan het volgende:

* Landbezit en andere economische activiteiten. Leidse instellingen en particulieren bezaten ongelooflijk veel grond in de wijde omtrek. Wat betekende dat enerzijds voor de inkomsten van de genoemden (en wat deden ze ermee?), anderzijds voor de betrokken boeren en tuinders? (in Warmond wordt verteld dat de pachters op 4 november bij Leidse notarissen hun pacht moesten betalen, een verplichting en gelijk een uitstapje naar de stad).

Daarnaast (of daarmee verbonden?) waren Leidse burgers als ondernemer actief in de regio, bij veen- en landwinning bijvoorbeeld). Wat was de betekenis daarvan voor zowel stad als ommeland? Tot ca. 1590 heeft Jan van Egmond vrijwel alle landbezit van Leidse instellingen en burgers in kaart gebracht, maar daarna is het nog vrijwel onontgonnen gebied. Aansluitend daarop is er ook het in de regio beruchte verbod op de buitenneringen (naast beperkingen over vestiging van industrie als kalkbranderijen). Wat betekende dat nu werkelijk voor de plattelandseconomie? In hoeverre werd er wol gesponnen bijvoorbeeld?

En wat is de verbinding tussen de plattelandsnijverheid en de stad (Leiderdorpse kalkbranders werden vooraanstaande Leidenaars; de eigenaar van de zilverfabriek Van Kempen woonde in Leiden; Wernink is ook zo'n geval en van alle eigenaren van steenbakkerijen tot ca. 1600 heeft Hans Endhoven de gegevens). In hoeverre trad de Kamer van Koophandel en Fabrieken na 1922 werkelijk op voor heel Rijnland?

* Diensten etc. De algemene constatering is dat Rijnland een verzorgingsgebied van Leiden was, bijvoorbeeld wat betreft notariaat, medisch, scholen, bijzondere producten/winkels. In hoeverre was dat werkelijk het geval en wat betekende dit, is een vraag die Rudi van Maanen ooit al stelde, maar die onbeantwoord is gebleven. En wanneer en waardoor werd dat minder?

* Sociale netwerken. In hoeverre was er sprake  van sociale netwerken waar zowel de stadsbewoners als de andere Rijnlanders deel van uit maakten? Het lijkt duidelijk dat er wat de elite betreft sprake was van een groot regionaal netwerk (edelen uit de regio die een rol speelden in Leiden; genootschappen die Leiden als zetel hadden met leden in de hele regio). Hoe waren daarnaast de banden van de lagere klassen: denk aan migratie naar de stad (middeleeuwen, 19de eeuw) en vanuit de stad naar de regio (18de eeuw: 15% van de vertrekkers) en natuurlijk de ontwikkeling in de huidige agglomeratie. Wat betekende dit?

* Sociale bewegingen. Hoe verbonden waren sociale bewegingen in de regio met de Leidse? Een concreet voorbeeld biedt de sociale woningbouw, waar ten minste één corporatie opgericht werd door Leidenaars (Buitenlust Oegstgeest) en de Federatie oorspronkelijk duidelijk regionaal was. Hoe zat dat verder? Zijn er op dit gebied lijnen te trekken? Het zou trouwens niet slecht zijn alle relaties op de diverse gebieden eens bij elkaar te brengen en ook vanuit een politiek-bestuurlijke invalshoek te bekijken om een meer alomvattend en afgerond beeld te krijgen. Denk bij het laatste aan het opkopen van ambachtsheerlijkheden in de 16de en 17de eeuw, de eerder genoemde Leidse netwerken, maar ook de regionale samenwerking sinds de jaren 50 (bouwregio's; annexaties; ontwikkeling Holland Rijnland).

21. Huishoudelijk personeel

Een groot deel van de in Leiden wonende vrouwen en meisjes, maar voor 1875 ook wel jongens en mannen, werkten in de zogeheten huishoudelijke diensten: dienstbode/meisje, huisknecht etc. Een fatsoenlijke geschiedenis van dit fenomeen is er niet. Hoogstens is iets bekend over de situatie rond 1900 (Agnes van Steen met name heeft hierover gepubliceerd). Maar ze waren er natuurlijk al veel eerder (vermoedelijk altijd al). Bij het in kaart brengen van het fenomeen zou aan de orde moeten komen:

* Arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden.

* Leeftijden en loopbaanontwikkeling. Oftewel: hoelang deed men dit werk?, wie deden dat hun leven lang?

* Achtergronden. Uit welke sociale groepen in de stad werden ze gerekruteerd (bekend is dat 'fabrieksmeisjes' geen 'dienstmeisjes' wilden zijn; in hoeverre kwamen zij überhaupt uit de stad en in hoeverre uit de regio of van verder weg? En waarom?

* Opleiding. Wat voor opleiding/vorming werd er verwacht/georganiseerd (N.B. De breischool van het Nut uit 1838, onder meer vanwege wat dienstmeisjes moesten kunnen; dit speelde ook een rol bij huishoudscholen. Wel was er een continuüm met de rol van huisvrouw en moeder).

* Verschuivingen in omvang en functie van het huishoudelijk personeel (tot en met het dienstbodevraagstuk).

* Seksuele intimidatie e.d.

22. Kinderen en jeugd in de samenleving

De plaats van het kind in de samenleving is veranderd tussen de middeleeuwen en nu, terwijl er anderzijds ook grote constanten aan te wijzen zijn. De verhouding tussen persoonlijke opvoeding, onderwijs, arbeid, spel en overlevingsstrategieën verschilt nogal tussen de middeleeuwen, de 17de eeuw, de 18de eeuw en de 19de en 20ste eeuw. In veel literatuur wordt dat opgehangen aan geventileerde pedagogische opvattingen en culturele uitingen van de elite, maar de dagelijkse praktijk van het gewone volk komt daarbij nauwelijks aan bod. Smit probeert daarover iets te zeggen in relatie tot kinderarbeid en Dubois en Jonker hebben erover geschreven naar aanleiding van interviews met mensen die begin 20ste eeuw opgroeiden.

Dat alles is slechts een eerste aanzet, die node vervolg behoeft. Eraan gerelateerd is de plaats van het kind in de openbare ruimte en het eeuwige geklaag over de jeugd van tegenwoordig, wat duidt op spanningen tussen het doen en laten van de opgroeiende jeugd en de volwassenenwereld. Tevens valt hier een tegenstelling op tussen rijk en arm: de meeste bedreiging ging uit van de immer gevaarlijke en vandalistische straatjeugd, of het nu om 1508, 1890 of 2014 gaat. Een stad als Leiden met een rijk archief biedt hier veel mogelijkheden tot uitgebreider onderzoek, aan te vullen met oralhistoryonderzoek.

Hieraan gerelateerd is de ontwikkeling van het speeltuinwerk. Na een eerste initiatief uit de betere standen, ontwikkelde dit zich in het interbellum in de nieuwe arbeiderswijken. Geen stad in Nederland heeft nog steeds zo'n groot aantal onafhankelijke speeltuinverenigingen als Leiden. Dat is een mooi boek waard, ook in het kader van de plaats van het kind in de samenleving.

23. Krotopruiming en stadsvernieuwing

Ingrijpende bouw- en stedebouwkundige ingrepen met betrekking tot de volkshuisvesting tekenen de stedelijke geschiedenis van het eind van de 19de eeuw tot het heden, van de activiteiten van Werkmanswoningen vanaf 1891, via de sanering van de volkswijken in de jaren 50 en 60, de grootscheepse stadsvernieuwing in de jaren 70 en 80, tot en met de moderne Stedelijke Herstructurering. Krotopruiming, renovatie, sloop en nieuwbouw, daar gaat het hier om. Een stukje sociale politiek is hier onlosmakelijk mee verbonden. Deze ingrijpende processen zijn nog nauwelijks onderzocht (er is vooral een soort inventarisatie door Barendregt, plus enige stukjes over Werkmanswoningen). Het gaat hier niet alleen om de politiek-bestuurlijke processen, maar ook om de sociale effecten van deze processen. 

24. Huurdersbewegingen

Verwant (maar niet helemaal dekkend) is het onderwerp van huurdersstrijd en -participatie. Of daarvan vóór 1900 al sprake was, valt te betwijfelen, maar sindsdien waren deze een factor van betekenis, waar op zich nauwelijks onderzoek naar gedaan is. Nochtans stond Leiden jarenlang bekend om zijn felle, omvangrijke huurdersacties (jaren 70 en 80) en vreesden corporatiebestuurders de Leidse 'gestaalde kaders'. Dat begon met de huurharmonisatie in 1970 en bereikte een hoogtepunt rond de renovaties. Maar al eerder was er sprake van huurdersacties: in 1913, de jaren 20 en rond 1960. Dit is natuurlijk ook relevant in relatie tot de ontwikkeling van de Leidse corporaties van zelforganisaties tot al dan niet sociale verhuurbedrijven.

25. De informele economie

Mensen komen niet alleen rond door het verrichten van officiële betaalde arbeid, maar hanteren allerlei overlevings- of bestaansstrategieën. Wederzijdse dienstverlening (al dan niet betaald) binnen buurt en familie, incidentele klusjes, werkhuisjes, wassen, kleine handeltjes, lenen, verpanden, verhuizen zonder te betalen, kleine criminaliteit, vissen, sprokkelen van hout en kolen, door volwassenen en kinderen, noem maar op. Er is wel iets over geschreven, vooral voor de periode 1750-1940, maar het beeld is nauwelijks compleet of voldoende geanalyseerd.

Een deel hiervan is natuurlijk ook het belang van buurt en familie, netwerken waaraan vandaag de dag hoge verwachtingen worden gekoppeld. Hoever reikt die betekenis, wat was de draagkracht ervan, wat waren de grenzen en hoe veranderde dat? (de geformaliseerde vorm waren natuurlijk de gebuurten, voortreffelijk beschreven door Kees Walle). Voor de 20ste eeuw is oralhistoryonderzoek hierbij een uitkomst.

26. Ambachten en kleine middenstand

Tussen hoge heren en arme arbeidersklasse verdwijnt de toch omvangrijke kleine middenklasse voortdurend uit beeld, van de middeleeuwen tot het heden. Het herdenkingsboekje van de MKB (Smit e.a.) en wat artikelen over slagers (Görtz) zijn op zich slechts aanzetten te noemen voor een dieper gravend onderzoek naar kleine ambachtslieden (bakkers, kleermakers, smeden etc.) en kleine handelslieden (marktkooplieden, venters, winkeliers). Hoe kwamen zij rond, wat was hun achtergrond, hoe veranderde hun economische en maatschappelijke positie, welke rol speelden zij in het maatschappelijk leven in de stad? Hoe was hun relatie met hun personeel? Etc. Een grotendeels braakliggend gebied.

27. Sociaal-politieke en ideële bewegingen (anders dan de arbeidersbeweging)

Agnes van Steen heeft al veel geschreven over de vroege vrouwenbeweging en bereidt een proefschrift voor over het actiewezen in de jaren 70 en 80. Waarschijnlijk is daarmee het laatste woord nog niet gezegd over dergelijke sociaal-politieke en ideële bewegingen. Afgezien van de verschillende feministische golven (en vrouwenorganisaties in het algemeen) verdienen de volgende bewegingen de aandacht:

* Pacifisme/antimilitarisme/soldatenbeweging. Speelt zeker al vanaf het eind van de 19de eeuw. Niet alleen in socialistische kringen, maar ook in christelijke.

* Milieubeweging en natuurbeleven (ook al van belang in de oude arbeidersbeweging, maar er zijn waarschijnlijk al wortels in de 19de eeuw te vinden. In dit kader moet misschien zelfs de Dierenbescherming meegenomen worden, net als de idealistische (niet-medische) gezondlevenbewegingen.

* Kraakbeweging.

* Homobeweging (relatief wat beter beschreven).

* Internationale Solidariteit, van Boerenoorlog en Internationale Rode Hulp, via Chilifront e.d. en Boycot Outspan tot de Wereldwinkel.

* Esperanto e.d.

28. Migratie en migranten

Hier is de afgelopen decennia redelijk wat over gepubliceerd, maar er blijven zeker lacunes. Een paar onderwerpen:

* De rol van tot poorter geworden Engelsen, Duitsers, Italianen (Lombarden) en Vlamingen in de stedelijke samenleving in de middeleeuwen. Buiten Posthumus is daar erg weinig over gezegd.

* De rol van de Waalse ondernemers in de vernieuwing van de Leidse wolnijverheid tussen 1580 en 1670. Opvallend is hoe vaak stedelijk optreden zich richt tegen misstanden bij Waalse ondernemers.

* De rol van immigranten uit het Duitse Rijk in de 17de eeuw en hun integratie. Dit is nogal ondergesneeuwd bij alle aandacht voor de zuidelingen, maar zij vormden al met al wel een even grote groep in de stad.

* De plaats van Indische (en half-Surinaamse) Nederlanders, met name in de periode 1850-1940 en direct na WOII.

* De integratie en segregatie met betrekking tot 'gastarbeiders' uit Turkije en Marokko, als vervolg op het stuk dat Thomas van Duin daarover geschreven heeft in een boek uitgegeven door de Dirk van Eck-Stichting, met een actueel-kritsche analyse van het in Leiden gevoerde beleid.

* Een analyse van wat er nu eigenlijk met de asielzoekers is gebeurd die in Leiden kwamen sinds 'Leiden Stad van Vluchtelingen', met een actueel-kritsche analyse van het in Leiden gevoerde beleid.

29. Filantropische en verheffende organisaties

In zekere zin een pendant van 8 en 13, maar meer gericht op de arbeiders- of volksklasse in den brede. Volksverheffing is een belangrijk onderwerp om de moderne geschiedenis goed te begrijpen. Het Leidse Volkshuis en wat daaromheen speelde, is intussen behoorlijk beschreven, maar van 't Nut bestaan slechts beschrijvende stukjes over afzonderlijke facetten. De rol van 't Nut mag echter niet onderschat worden, ook buiten het onderwijs. Denk b.v. aan de Leidse Spaarbank, de bibliotheek, de zangkoren en de betrokkenheid bij tal van andere initiatieven. Het omvangrijke archief ervan smeekt om een degelijk onderzoek.

Een andere organisatie is de Leidsche Maatschappij van Weldadigheid tot Voorkoming van Verval tot Armoede (niet te verwarren met de commissie Weldadigheid en de veenkolonieën, genoemd in 8). In 1917 verscheen er een boekje over, dat wel een update kan gebruiken, zowel voor de eerste als voor de tweede eeuw van haar bestaan (wellicht zal er in 2017 een boek over verschijnen, als de nog immer bestaande LMW haar tweede eeuwfeest viert). Daarnaast waren er op dit gebied nog talloze andere organisaties actief buiten deze twee, die als algemeen te beschouwen zijn. De Vrijmetselaars hadden hun eigen club, de christenen diverse - het optreden daarvan is niet los te zien van de verzuiling. Volkeverheffing speelde ook een rol binnen de arbeidersbeweging tot in de jaren 60 (zie ook 15).

30. Beroepsopleidingen

De ontwikkeling van het beroepsonderwijs in Leiden is - afgezien van een boekje over MSG en een publicatie over de instrumentmakersschool - vrijwel onontgonnen terrein (wellicht dat Anneke Boot daar verandering in brengt met haar beoogde proefschrift). Daarbij zijn voor de 20ste eeuw twee facetten van belang:

* De ontwikkeling van het lager en middelbaar beroepsonderwijs zelf (inhoudelijk, leerlingen, betekenis). Daarbij behoort ook de ontwikkeling van het deeltijdonderwijs.

* De ontwikkeling van min of meer georganiseerde scholing binnen de bedrijven zelf (wat gebeurde in zowel de wol- als metaalbedrijven en waarschijnlijk ook de grafische industrie).

 

Dirk van Eck-Stichting

Dirk van EckOp 1 mei 1987 werd de Dirk van Eck-Stichting opgericht. De stichting stelde zich onder meer ten doel het stimuleren van onderzoek door wetenschappers en amateurs op het gebied van sociale en economische geschiedenis, arbeidersleven, (socialistische) arbeidersbeweging en andere emancipatiebewegingen in Leiden en omstreken. Leiden kende al verschillende historische verenigingen en stichtingen, maar het verleden van de gewone Leidenaren was in die tijd tamelijk onderbelicht.

De stichting organiseerde lezingen, lespakketten, tentoonstellingen, boeken en andere publicaties en in 1989 verscheen het eerste Jaarboek der Sociale en Economische Geschiedenis van Leiden e.o. Datzelfde jaar werden veel activiteiten ontwikkeld rond het speciale thema over de Leidse textielnijverheid onder de titel Stof uit het Leidse verleden. Er kwamen een tentoonstelling, congres, videodocumentaire, onderwijsproject en boek uit voort. Jaarlijkse donateursbijeenkomsten werden goed bezocht en werden het podium voor zeer geslaagde vertoningen van oude films, waarvan vijf dvd's Stadsbeeld in Beweging zijn uitgebracht.

In mei 2013 verscheen het 25e en laatste jaarboek. In datzelfde jaar ging de Dirk van Eck-Stichting verder als commissie binnen de Historische Vereniging Oud Leiden. Er is nog veel te onderzoeken. Veel bedrijfsgeschiedenissen zijn nog niet onderzocht. Het verdwijnen van metaal, textiel, drukkerijen, conserven uit de stad en de gevolgen voor de (immigranten)arbeiders, vooral dat laatste is braak terrein. En meer naar de huidige situatie: hoe is het nieuwe Leiden als stad van ontdekkingen en kennis tot stand gekomen?

 

 

 

 

 

 

 

SDAP Landelijke verkiezingen 1918De SDAP was een sociaal-democratische partij, die lange tijd tevens republikeins en anti-militaristisch was. De SDAP werd in 1894 opgericht en kan als opvolger van de revolutionair-socialistische SDB (Socialistenbond) worden beschouwd. De partij was onderdeel van de socialistische zuil en nauw verbonden met organisaties als het NVV, dagblad Het Volk, de Arbeiderspers en de VARA. In 1946 ging de SDAP met VDB en CDU op in de PvdA. De SDAP kreeg in 1897 voor het eerst zetels in de Tweede Kamer. Na de invoering van het algemeen (mannen)kiesrecht in 1917 had de SDAP steeds circa 20% van het electoraat achter zich. In 1939 nam de partij voor het eerst deel aan de regering. Voormannen van de SDAP waren onder meer Troelstra, Vliegen, Schaper, Wibaut, Albarda en Drees.

Beginselen

De SDAP streefde op democratische wijze naar een socialistische maatschappij, waarin voor de arbeidersklasse betere levensvoorwaarden zouden bestaan dan onder het kapitalisme. Dat betekende onder meer dat belangrijke industrieën en de winning van delfstoffen in handen van de staat dienden te komen. De partij sloot zich aan bij de Socialistische Internationale, de overkoepelde organisatie van socialistische partijen in Europa.

Lange tijd waren strijd voor algemeen kiesrecht en voor een staatspensioen de belangrijkste doelen. Het eerste doel werd in 1919 bereikt, nadat in 1917 al het algemeen mannenkiesrecht was ingevoerd.

Naast invoering van een staatspensioen (voor ouderen) kwam de SDAP ook op voor socialezekerheidswetten tegen ziekte, invaliditeit en werkloosheid en voor verbetering van arbeidsomstandigheden (achturige werkdag) en inkomens van werkenden.

In de crisisjaren (1929-1940) was de SDAP voorstander van een actieve rol van de overheid om de economie te stimuleren. In 1935 kwamen SDAP en NVV met het 'Plan van de Arbeid' dat onder andere voorzag in openbare werken ter bevordering van het economisch leven.

Tot midden jaren dertig werd invoering van een republiek nagestreefd. Vanaf 1934 was dit niet langer een strijdpunt. De SDAP wees ook nationalisme af.

Op defensiegebied werd tot de Eerste Wereldoorlog gekozen voor een volksleger met een algemene oefenplicht. Na 1918 werd gestreden voor nationale en internationale ontwapening. Onder invloed van de Duitse herbewapening en het opkomende nationaal-socialisme werd dit standpunt in 1934 verlaten.

Andere strijdpunten van de SDAP waren - afschaffing van de Eerste Kamer en invoering van een referendum

  • grotere zelfstandigheid voor Nederlands-Indië met zelfbestuur als uiteindelijk doel
  • kosteloze rechtsbijstand en verpleging
  • op economisch gebied gelijke rechten voor mannen en vrouwen
  • verbetering van het openbaar onderwijs
  • bestrijding van drankmisbruik

Historische ontwikkeling

De SDAP werd in 1894 door 12 personen (de 'twaalf apostelen'), onder wie Troelstra, Schaper en Vliegen, in Zwolle opgericht. Aanvankelijk waren er onder de voormannen veel onderwijzers, predikanten, journalisten en advocaten. De aanhang concentreerde zich in de beginjaren in Friesland, Groningen en de grote steden. Na het opbouwen van een partijorganisatie en een netwerk van propagandisten groeide de aanhang in andere delen van het land.

Een belangrijke jaar in de ontwikkeling van de SDAP was 1903, het jaar van de spoorwegstaking. Dit was aanvankelijk een succesvolle staking voor loonsverbetering voor spoorwegbeambten. Het kabinet-Kuyper kwam met een wet die stakingen van ambtenaren in vitale onderdelen van het economisch leven verbood. Een staking tegen invoering van deze anti-stakingswet mislukte, maar gaf wel de stoot tot oprichting van een algemene vakbond, het NVV.

In 1909 werden de marxisten uit de SDAP verwijderd, maar desondanks wist de partij in 1913 een belangrijk succes te behalen bij de verkiezingen. Gelet op haar opvattingen over onder meer defensie werd uiteindelijk echter besloten geen deel te nemen aan een liberaal ('burgerlijk') kabinet, maar dat kabinet slechts indirect te steunen.

Na de Eerste Wereldoorlog en de invoering van het algemeen mannenkiesrecht bleef de electorale groei van de SDAP achter bij de verwachtingen. Nadat in november 1918 in Duitsland de revolutie was uitgebroken, meende Troelstra dat ook in Nederland het moment van de revolutie was gekomen. Hij bleek zich hierin echter vergist te hebben, terwijl ook zijn eigen partij hem niet volgde (maar hem overigens wel trouw bleef).

Deze mislukte revolutiepoging vergrootte de reeds bestaande kloof tussen de SDAP en andere partijen, waardoor regeringsdeelname verder weg was dan tevoren.

Dat veranderde pas midden jaren '30 toen de SDAP zich zowel op het gebied van de defensie als ten aanzien van haar republikeinse gezindheid gematigder ging opstellen. De muiterij op de kruiser 'De Zeven Provinciën' in 1933, waarvoor de SDAP begrip toonde, versterkte de bestaande anti-socialistische geluiden in andere partijen. Het werd militairen enige tijd verboden lid te zijn van de SDAP.

Op het congres van 1934 werd het standpunt van de nationale ontwapening losgelaten.

 Samenwerkingsverbanden, afsplitsingen en fusies

 De belangrijkste afsplitsing vond in 1909 plaats toen een groep rond het blad 'De Tribune', met als voormannen Wijnkoop, Ceton, Van Ravesteijn en Gorter, de partij moesten verlaten. Zij vonden dat de SDAP te weinig marxistisch was en richtte de SDP op, die in 1919 werd omgedoopt in Communistische Partij Holland. Tussen CPH en SDAP zou een enorme rivaliteit ontstaan.

In 1932 verliet wederom een deel van de linkervleugel de partij, met als voormannen Schmidt en De Kadt. Zij vormden de Onafhankelijk Socialistische Partij (OSP). Een deel van de circa 3000 afgescheidenen keerden later terug.

Regeringsdeelname

Lange tijd was deelname van de SDAP aan een kabinet ondenkbaar. Enerzijds wees de SDAP tot de Eerste Wereldoorlog zelf samenwerking met andere (burgerlijke) partijen af. Anderzijds voelden de christelijke partijen niets voor een dergelijke samenwerking, omdat de SDAP als revolutionair en anti-christelijk werd beschouwd. In 1925 formuleerde de katholieke voorman Nolens de leer van de uiterste noodzaak: alleen in uiterste noodzaak zou de RKSP samen met de SDAP in een kabinet gaan zitten.

Die 'uiterste noodzaak' ontstond in 1939 nadat het kabinet-Colijn IV ten val door een intern conflict was gevallen, en een door Colijn gevormd minderheidskabinet direct naar huis was gestuurd. De SDAP leverde in het tweede kabinet-De Geer Albarda en Van den Tempel als minister. Vanwege de dreigende oorlog moet dit kabinet als een noodkabinet worden gezien, waarbij de SDAP programmatisch slechts beperkt invloed kon uitoefenen.

Persoonlijkheden

De grote voorman van de SDAP was Pieter Jelles Troelstra, een Friese advocaat en dichter. Met veel zelfopoffering was hij tot 1925 een gepassioneerd strijder voor de socialistische zaak.

Vanaf de oprichting waren verder de Limburgse typograaf Willem Vliegen en de Groningse schildersgezel Jan Schaper belangrijke figuren in de SDAP. De eerste was behalve Kamerleden lange tijd voorzitter en de tweede was een vooraanstaand parlementariër, die later tevens Gedeputeerde was in Zuid-Holland.

Vooral als lokaal bestuurder werd F.M. Wibaut bekend. Hij was langere tijd wethouder van Amsterdam, waar hij onder andere mede verantwoordelijk was voor verbetering van de huisvesting.

De opvolger van Troelstra was in 1925 de Delftse ingenieur en leraar Willem Albarda. Hij was tevens wethouder in Den Haag. Albarda was in 1939 één van de twee SDAP-ministers.

Nadat Albarda minister was geworden, werd Willem Drees fractievoorzitter. Ook Drees had carrière gemaakt en - ook bij niet-SDAP'ers waardering gekregen - als wethouder van Den Haag.

Electoraat

De SDAP had aanvankelijk vooral aanhang onder geschoolde arbeiders, jonge intellectuelen (advocaten, ingenieurs, predikanten) en onderwijzers. Na de uitbreiding van het kiesrecht kwamen de kiezers uit alle lage van de bevolking, waarbij arbeiders de hoofdmoot vormden.

Veel SDAP'ers waren onkerkelijk, maar onder hen waren ook Nederlands-Hervormden, doopsgezinden en remonstranten. Katholieken waren er nauwelijks in de SDAP.

De SDAP had een sterke positie in Friesland, Oost-Groningen en de Twentse industriesteden, alsmede in de Zaanstreek en de vier grote steden. In het Zuiden had zij betrekkelijk weinig aanhang. Rotterdam en Amsterdam waren 'rode' bolwerken, waar SDAP'ers meestal diverse wethoudersposten bekleedden.

bron: www.parlement.com

De Dirk van Eck-Stichting is vernoemd naar Dirk Antonie van Eck. Hij was een voorman van de sociaal-democratische arbeidersbeweging in Leiden. Voor Van Eck was socialisme boven alles een levenshouding en hij rekende het tot zijn taak mensen op te voeden in 'menschenliefde en rechtvaardigheidsgevoel'. Vandaar dat Vliegen hem een 'gevoels-socialist' noemde.

Personalia

Dirk Antonie en zijn vrouw Guliana CorneliaDirk van Eck werd geboren te Axel op 8 april 1867 als zoon van Hubert Johannes van Eck, burgemeester van Axel, en Rosalia Maria Koster. Op 30 juni 1899 trad hij in het huwelijk met Guliana Cornelia Koch. Dit huwelijk bleef kinderloos. Hij overleed te Leiden op 18 mei 1948.

Zijn jeugd

Van Eck, afkomstig uit een welgestelde familie, kreeg zijn politieke belangstelling door toedoen van zijn vader en oom, twee vooraanstaande Zeeuwse liberalen. De zelfdoding van zijn depressieve vader in 1876 wierp een donkere schaduw op zijn jeugd. Van Eck doorliep het gymnasium in Nijmegen. Daarna verhuisde het gezin in 1885 naar Leiden.

'Sociaal' student te Leiden

Als rechtenstudent maakte hij een ingrijpende ontwikkeling door van liberaal naar ethisch-socialist. De bevoorrechting van zijn klasse riep grote schuldgevoelens bij hem op. Was hij al vegetariër en niet-roker (en weldra ook geheelonthouder), door sober te leven wilde hij zich solidariseren met het Leidse proletariaat. Zijn ascetische levenshouding moest anderen tot voorbeeld zijn. Zijn corpsvrienden noemden hem 'de sociaal'. Eind 1890 promoveerde hij op Dwangmiddelen van den staat tegenover de gemeente (Leiden 1890). De stellingen bij zijn proefschrift zouden in een socialistisch partijprogram niet misstaan.

Propagandist en activist

Na zijn promotie trok hij in bij O. Stellingwerf en G.C. Stellingwerf-Jentink in Leeuwarden. Beiden hebben veel invloed op hem gehad. Met Stellingwerf voerde hij de redactie van het Friesch Volksblad, waarin hij zich uitsprak voor landnationalisatie en algemeen kiesrecht. Korte tijd was hij lid van de Sociaal-Democratische Bond. In 1893 redigeerde hij enkele maanden in Leiden waar hij zich gevestigd had zijn eigen Hollandsch Volksblad. Met Friese theologiestudenten als A. de Koe en A. van der Heide had hij contact. Met de 'rode dominee' W. Bax organiseerde hij in 1893 de eerste 1 Mei-viering in Leiden.

Dirk Antonie van Eck

Traumatisch incident

Van 1894 tot 1902 maakte Van Eck carrière bij de gemeentelijke overheid. In 1899 werd hij benoemd tot burgemeester van Mijnsheerenland en Westmaas. Daarmee was hij feitelijk de eerste socialistische burgemeester in Nederland, zij het niet benoemd vanwege zijn politieke opvattingen, zoals bij de SDAP-er K. ter Laan in Zaandam in 1914 wel het geval was. Begin augustus 1901 volgde promotie naar Boskoop. Kort daarop liep een openbare manifestatie voor algemene werkstaking uit op gewelddadigheden tussen Boskoopse kwekers en anarchisten. Van Eck raakte als Tolstojaans pacifist in ernstige gewetensnood. Hij moest politie inzetten, maar ook zichzelf in veiligheid brengen.

Socialisme en drankbestrijding

Het incident betekende voor hem een morele slag, die hij in Boskoop niet meer te boven kon komen. Na zijn ontslag vestigde hij zich in 1903 op Pomona, dichtbij de macrobiotische tuinderij van zijn broer in Oegstgeest. Sedertdien bleef hij, interend op het familiekapitaal, ambteloos burger. De rest van zijn leven wijdde hij aan de uitbouw van de socialistische beweging en de drankbestrijding. Van 1896 tot 1913 betoonde hij zich een actief bestuurder van de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Sterken Drank, later Alcoholische Dranken (NV). In de blauwe NV werkte hij samen met de al eerder genoemde Trui Stellingwerf.


Partijstrijd

In 1904 trad Van Eck toe tot de Leidse afdeling van de SDAP (Sociaal-Democratische Arbeiderspartij). Na het vertrek van de sterrenkundige A. Pannekoek in 1906 werd hij voorzitter van de kleine, maar militante afdeling. Met de letterkundige J.A.N. Knuttel en de kleermaker J. Verver vertegenwoordigde hij zijn afdeling op het partijcongres in Deventer, waar de Tribunisten buiten de partij kwamen te staan. Met Knuttel was hij aanwezig bij de oprichting van de Sociaal-Democratische Partij (SDP) in Amsterdam. Ruim een halfjaar fungeerde hij als eerste voorzitter van de Leidse SDP-afdeling totdat hij, verontrust over het uitblijven van een massale overloop, terugkeerde naar de SDAP. Eind 1909 bezette hij opnieuw zijn oude post. De nasleep van 'Deventer', die voor de socialisten in Leiden bijna catastrofaal werd, noopte hem voor enkele jaren tevens het voorzitterschap van de Leidsche Bestuurdersbond (LBB) te bekleden.

Principeel

Binnen de afdeling werd zijn positie vanwege zijn SDP-escapade en zijn linkse opvattingen zeker tot 1918 openlijk aangevochten, al was het een publiek geheim dat Van Eck samen met de coöperatie Vooruit de aankoop van Leidens 'rode burcht' (het Volksgebouw) mogelijk had gemaakt. Vooral zijn politieke meerderheidsstrategie viel slecht bij de oude garde. De voorzitter sprak zich uit voor een principiële oppositie, die pas mocht worden omgezet in bestuursverantwoordelijkheid zodra de SDAP kon beschikken over een politieke meerderheid. Landelijk vielen zijn ideeën over socialistische gemeentepolitiek al evenmin in goede aarde. De Amsterdamse wethouder F.M. Wibaut deed deze af als 'Tribunetaal'. In Leiden waar hij door zijn colportage iedere zaterdag, zijn huisbezoek en zijn voorname eenvoud erg populair was, verscheen de SDAP pas in 1919 in de gemeenteraad, sinds 1920 met Van Eck als fractievoorzitter. Toen de SDAP haar oppositie in 1935 opgaf en deelnam aan het college van Burgemeester en Wethouders, viel dat samen met zijn aftreden als voorzitter van de afdeling.

Partijfuncties

Oproep van het bestuur van de SDAP om te gaan stemmenBuiten Leiden bekleedde Van Eck verschillende partijfuncties. Van 1914 tot 1935 was hij voorzitter van het SDAP-gewest Zuid-Holland. Van 1919 tot 1935 had hij zitting in de Provinciale Staten van Zuid-Holland. In 1923 werd hij lid van het partijbestuur van de SDAP, als opvolger van J. Loopuit. Hij vertegenwoordigde de linkse stroming binnen de partij. Als enige van het partijbestuur wees hij in 1932 de maatregelen van de partijleiding af tegen de links-radicalen, die zich zouden afscheiden in een Onafhankelijke Socialistische Partij (OSP). Hij vond dat Kamerleden te ver van de massa kwamen af te staan, en in zijn ogen was de invloed van de Kamerfractie op de partijleiding te groot. Verder maakte hij zich zorgen over het overwicht van intellectuelen op gewone arbeiders.

Polemist

Zijn artikelen in De Sociaal-Democraat irriteerden vooraanstaande SDAP-ers, die zich afvroegen of hij soms 'zedenmeester' wilde spelen. Al vonden zijn afwijkende ideeën weinig onthaal, toch was er ook waardering. W. Drees was onder de indruk van zijn 'nooit verflauwende geestdrift, onbegrensde toewijding [en] grote zuiverheid'. In 1936 verliet hij als 70-jarige het partijbestuur. Het ging hem aan het hart dat het 'Leids Program' van de SDAP werd ingeruild voor een veel behoudender en nationalistischer beginselprogramma, waarin het marxisme werd afgezwakt en de ontwapening werd opgegeven.

Oorlog en herstel

Na enige verwarring in het begin van de oorlog hervond hij, mede door J. Engels, zijn evenwicht. In de opheffing van de SDAP na de bevrijding heeft hij 'berust'. Als lid van de PvdA waarschuwde hij in De Vlam kort voor zijn dood nog voor een anticommunistische hetze.

Bron

In bewerkte vorm overgenomen uit: Biografisch Woordenboek van het Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland, deel 3 (Amsterdam 1988), p. 46 - 48. Het lemma is geschreven door Jaak Slangen.

Levensbeschrijving

Over Dirk van Eck is ook een korte biografie geschreven: Jaak Slangen, Dirk Antonie van Eck (1867 - 1948). De peetvader van de Leidse sociaal-democratie (Leiden 1988). Uitgave van de Dirk van Eck- Stichting.