Leidse verhalen:

5. Epidemieën in Leiden, een balans

Dit artikel verscheen eerder in het Leidsch Dagblad.

Door Jan Laurier/Cor Smit

De stad Leiden lijkt de huidige Covid19-epidemie betrekkelijk goed door te komen. Vergeleken met veel andere plaatsen, zijn hier tot op heden relatief weinig slachtoffers te betreuren. De afgelopen weken hebben we in deze serie laten zien dat dit vroeger wel anders was. Bij iedere epidemie vielen er honderden, zelfs duizenden doden in de Sleutelstad.

Tweede golf

When in quarantineMaar is het al afgelopen? Honderd jaar geleden maakte de Spaanse griep in de lente ook nog niet zo veel slachtoffer. Maar in de herfst begon het pas echt… Je weet nooit wat zo’n virus doet en zeker niet wanneer het nieuw is. Het is wachten op de middelen om de ziekte te voorkomen en te genezen.

Ongetwijfeld komen we daar sneller achter dan vroeger. De medische wetenschap heeft enorme sprongen gemaakt vanaf het einde van de 19e eeuw. Voorlopig kunnen we – behalve afwachten – weinig anders doen dan wat men eeuwen deed: de ziekte isoleren, voorkomen dat deze zich verspreidt, en de zieken verzorgen.

4. Mazelen: een fatale kinderziekte

Dit artikel verscheen eerder in het Leidsch Dagblad.

Door Jan Laurier/Cor Smit

Begin zestiende eeuw versloeg een relatief kleine groep Spanjaarden het machtige Inca-rijk in Zuid-Amerika. Dat had weinig te maken met dapperheid, slimheid of superieure wapens. De Indiaanse krijgers stierven doorgaans al voor de strijd, getroffen door de dodelijke mix aan besmettelijke ziekten die de Europeanen met zich meedroegen. Uiteindelijk stierf zo’n tachtig à negentig procent van de oorspronkelijke bewoners van Noord- en Latijn-Amerika aan die ziekten. Met pokken, griep en tyfus behoorde mazelen tot de belangrijkste doodsoorzaken.

Het verhaal zou zich herhalen in andere delen van de wereld. In 1875 stierf bijvoorbeeld een kwart van de bevolking van de Fiji-eilanden aan mazelen. Wat wij nu beschouwen als een onschuldige kinderziekte, was een kille sluipmoordenaar. Dat is in veel delen van de wereld nog steeds zo. Ook in Nederland was het een belangrijke doodsoorzaak.

3. De cholera

Dit artikel verscheen eerder in het Leidsch Dagblad.

Door Jan Laurier/Cor Smit

Het was een hele schok, in 1832. Bijna tweehonderd jaar waren er geen grote epidemieën geweest. En toen was daar ineens de cholera, die opnieuw duizenden levens eiste. Die maakte bovendien in een keer duidelijk dat het heel slecht gesteld was met de levensomstandigheden in zich industrialiserend Europa.

De verspreiding

Uitsnede cholera kaart ELO met onderschriftDe cholera kwam vóór 1800 vooral in India voor. Rond 1830 bereikte de ziekte Europa via Rusland en in 1832 werden de eerste gevallen geconstateerd Nederland, in Scheveningen. In de daarop volgende epidemie vielen in het land ruim 10.000 doden. Ook Leiden ontkwam er niet aan. Sterker, relatief was de sterfte hier bijzonder hoog. De cholera eiste bij de eerste epidemie het leven van 575 van de 35.000 Leidenaars. Er volgden meer cholera-epidemieën. Bij die van 1848-1849 vielen in Nederland ruim 23.000 doden, in Leiden 949. In 1859 vielen in Leiden 327 slachtoffers en bij de laatste epidemie, van 1866, nog eens 892. Landelijk overleden dat jaar 21.000 mensen.

De cholera woedde niet alleen in de Hollandse steden, maar ook in andere grote steden, zoals Antwerpen en Londen, en op het platteland. Zo overleden in Alkemade tussen 1832 en 1866 bijna 290 mensen aan de cholera.

2. De Zwarte Dood: de pest in Leiden

Dit artikel verscheen eerder in het Leidsch Dagblad.

Door Cor Smit/Jan Laurier, 8 juni 2020

Het is de moeder der pandemieën: de pest, ook bekend als de Zwarte Dood. Eeuwenlang teisterde deze ziekte Europa en eiste miljoenen doden. We denken daarbij al snel aan de Middeleeuwen. Maar de pest sloeg in Leiden en andere Hollandse steden (en ook in Londen) juist in de Gouden Eeuw het hardst toe. De bijnaam ‘Zwarte Dood’ is overigens pas in de negentiende eeuw in zwang geraakt.

Verspreiding

Verbeelding van de pest tijdens het Beleg ELOEr zijn de afgelopen 1500 jaar verschillende pestpandemieën geweest. De laatste woedde rond 1900 in het Verre Oosten. Wij richten ons op de pest die Europa teisterde van de 14e tot in de 17e eeuw, in Oost-Europa zelfs nog honderd jaar langer.

Die pest kwam uit Centraal-Azië en bereikte in 1347 Italië via de handel met De Krim. Daarna verspreidde de ziekte zich razendsnel over heel Europa. In 1351 was de pandemie grotendeels uitgewoed. Ongeveer een derde van de Europese bevolking overleed eraan, twintig à veertig miljoen mensen. Hele streken waren letterlijk uitgestorven.

Maar de pest was niet weg. Ze werd min of meer endemisch. Nog ruim driehonderd jaar bleef ze doorzieken, soms opflakkerend in grotere epidemieën.

De oorspronkelijke pandemie bereikte waarschijnlijk Leiden niet. Maar vanaf het eind van de veertiende eeuw was het regelmatig raak. De Leidse historicus Rudolph Ladan telde tussen 1400 en 1600 zo’n achttien pestuitbraken: bijna iedere tien jaar! Tijdens het Leids Beleg (1574) eiste de pest méér slachtoffers dan de honger.

In de 17e eeuw sloeg de pest meermaals keihard toe in de Hollandse steden. Leiden werd getroffen in 1624/25, 1635 en 1655. Er stierven respectievelijk 9.500, 14.000 en 10.000 Leidenaars, op een bevolking van 47.000 à 50.000 zielen. In de kerk begraven was te gevaarlijk. De lijken verdwenen in massagraven op het Pelikaans- en Valkenbolwerk.

1. De ‘Spaanse’ griep

Dit artikel verscheen eerder in het Leidsch Dagblad.

Door Jan Laurier/Cor Smit

Het was misschien wel de grootste pandemie aller tijden: de Spaanse Griep. In een kleine drie jaar, van 1918 tot in 1920, raakte een vijfde van de wereldbevolking, een half miljard mensen, ermee besmet. Minstens 40 miljoen mensen stierven eraan, misschien wel twee keer zo veel. Ook in Leiden eiste de ziekte slachtoffers.

Uit Amerika, via Duitsland

De Morspoortkazerne in 1916 (ELO)De naam Spaanse Griep is misleidend. Ze heet alleen zo omdat Spaanse kranten er voor het eerst over schreven. Hoogstwaarschijnlijk kwam de griep uit de Verenigde Staten. Daar moet begin 1918 een virus overgesprongen zijn van een vogel op een mens, misschien met een varken als tussenstation. Het was in ieder geval een vogelgriep. Via Amerikaanse soldaten, die meevochten in de eindfase van de Eerste Wereldoorlog, kwam het virus naar Europa en verspreidde het zich aan beide zijden van het front. Een Duits offensief mislukte, omdat een half miljoen soldaten ziek werden. Via Duitsland bereikte het virus Nederland.

Eind juli 1918 werden enige tientallen in Leiden gelegerde soldaten ziek; ten minste een ervan zou overlijden. Deze eerste griepgolf was echter niet erg kwaadaardig. Ze leek ook over te gaan. Iedereen was opgelucht. Maar in september keerde de epidemie terug en nu met veel dodelijker gevolgen. Het hoogtepunt lag in Nederland in november 1918. Honderdduizenden Nederlanders werden besmet. Tienduizenden stierven, aan de griep zelf of aan de longontsteking die als complicatie optrad.

Bang voor mooi weer - Oorlogssporen in Leiden en omgeving

Namens de Historische Vereniging Oud Leiden maakte Sleutelstad deze documentaire-lezing met Ruurd Kok over herinneringsplaatsen en -objecten in de regio die met de Tweede Wereldoorlog te maken hebben. Over dit onderwerp schreef hij het boek 'Bang voor mooi weer – Oorlogssporen in Leiden en omgeving'.

De titel is ontleend aan de herinneringen van Gerdi van de Poel uit Leiden. Ze maakte de oorlog als meisje mee vanuit haar ouderlijk huis aan de Hoge Morsweg en alleen bij mooi weer kwamen de bommenwerpers.

Productie: Historische Vereniging Oud Leiden, Sleutelstad en Kleef & Koop

De Pilgrims

door Jan Hein van Dierendonck, augustus 2015pelgrims

De hoofdrolspelers

De oorsprong ligt in de omgeving van het gehucht Scrooby, in het Engelse

Nottinghamshire en gelegen langs de Great Northern Road. In Scrooby stond een imposant herenhuis dat ook dienst deed als knooppunt van de koninklijke posterijen.

In de 16e eeuw is hier een zekere William Brewster de postmeester en zijn in 1566 geboren zoon William junior mag naar de Universiteit van Cambridge. Die komt daar in aanraking met een groepje radicale academici en (Anglicaanse) geestelijken die op het randje van religieus extremisme balanceren: deze ‘puriteinen’ vonden hun kerk nog veel te Rooms, eisten een strikte zondagsheiliging en eisten veel meer vrijheid bij het interpreteren van de bijbel. Vooral Robert Brown maakt indruk: die ziet niets in hervorming, maar wil een volledige afscheiding! Andere geradicaliseerde Cambridgestudenten, allen afkomstig uit de streek rond Scrooby, zijn pastoor Richard Clyfton, priester John Smyth en de (latere) pastoor John Robinson.